Mike Meiré voor Dornbracht

“The Farm Project”

“Een werkplaats voor de zintuigen”: The Making of FARM
Foto’s: Mike Meiré en Hartmut Nägele, tekst: Gerrit Terstiege, hoofdredacteur FORM

De keuken is een magische en toch door en door alledaagse plek. Veel producenten treden de keuken tegemoet met een reductionistische hartstochtelijkheid, in een poging hem te transformeren tot een representatieve, eerbiedwaardige plek. Men plaatst monolithische blokken in de ruimte, met spiegelende oppervlakken zonder herkenbare details als schakelaars of schuifladen. Een ontwikkeling die inmiddels absurde trekjes heeft aangenomen. Is niet juist het levendige ensemble van geuren, ingrediënten en specerijen, lepels, pannen en potten, die bij het koken ontstaat, een prachtig – en tevens wenselijk – bijverschijnsel? Waarom moet alles altijd helemaal worden verborgen? Tijdens het koken kunnen immers steeds weer plotseling nieuwe stillevens ontstaan, waarvan sommige qua schoonheid kunnen wedijveren met die welke door de Nederlandse genreschilders uit de 17de eeuw werden vastgelegd en met metaforische overdrijving werden uitgewerkt: glinsterende vissenhuid op een houten snijplank, het blinkende lemmet van een mes naast het geel van een opengesneden citroen ...

Ettore Sottsass, de grote Italiaanse architect en ontwerper, heeft de keuken ooit beschreven als een “plek achter het podium”, waar je “met rust, met ontzag, met vrolijkheid (soms), met verbeelding, met spanning het schouwspel voorbereidt; het schouwspel dat altijd perfect moet zijn; het schouwspel dat altijd een stukje van het leven moet weerspiegelen. Ik zie de keuken als een geheimzinnige plek waar in feite de ingrediënten voor een soort heilige voorstelling worden voorbereid”. Tegenwoordig wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen toneelruimte en ‘backstage’, het werk in de keuken is deel van de voorstelling geworden – we hoeven alleen nog maar afscheid te nemen van het idee dat we onze gasten altijd een perfecte coulisse moeten bieden.

Margarete Schütte-Lihotzky (1887-2000) bijv. moest niets hebben van welk soort enscenering dan ook. Ze was in de jaren ’20 van de vorige eeuw waarlijk iets anders van plan toen zij begon met het volledig herontwerpen van de keuken. Uit de “Frankfurter keuken” van de in Wenen geboren architecte blijkt haar interpretatie van de plek waar de maaltijd wordt bereid: het is een werkruimte, een door en door gestructureerde werkplaats. Alles had plotseling zijn weldoordachte plaats. Nu is een zekere hoeveelheid organisatie- en coördinatietalent bij het koken beslist noodzakelijk, maar men moet niet zomaar alles onderwerpen aan de wetten van de rationalisatie. Otl Aicher doet in zijn boek “De keuken om te koken” (München, 1982) zijn beklag over de verbanning van de eettafel: “Door de centrale tafel uit de keuken te verwijderen werd de keuken compacter, werden de wegen korter en de objecten eenvoudiger tastbaar, en liep men elkaar vaker tegen het lijf. Met de tafel verdween de gemoedelijkheid, het gevoel van onthaasting. Het keukenwerk ontwikkelde zich tot productie.” Maar koken, dat betekent ten slotte ook spelen en experimenteren – en soms ook mislukken: Luigi Colani ontwierp in 1970 voor Poggenpohl een knalgele keuken van kunststof, die er uitzag als een kogelronde cockpit. Een spectaculair concept, dat echter nooit navolging heeft gevonden. In die jaren geloofden sommigen zelfs dat zogeheten huishoudrobots weldra de maaltijdbereiding zouden overnemen!

Als wij ons nu dus verdiepen in het koken van vandaag en morgen, hoeven we onze inspiratie niet te ontlenen aan science-fictionachtige concepten. Wij kunnen met beide benen op de grond blijven staan. Mike Meiré was zich hiervan al lang geleden bewust. De Keulse ontwerper ontsluit met het project FARM de leefruimte ‘keuken’ voor Dornbracht; in zijn Keulse studio kreeg deze visie concreet gestalte: naar aanleiding van de Milanese beurspresentatie richtte hij een showroom in die op het eerste gezicht niets te maken had met de armaturenfabrikant uit Iserlohn. Noch technische finesses noch een perfecte verschijningsvorm waren in 2006 kenmerkend voor de Milanese Dornbracht-presentatie. Meiré ontwierp als coördinator en vormgever veeleer het schetsmatige associatieve beeld van een boerenkeuken waar het vrolijk toeging: in de schuurachtige ruimte dartelden levendige schaapjes, varkens, vissen en konijnen! Balen stro, mestvorken en enkelvoudig verzinkte blikken emmers veranderde Meiré in emblemen met ondubbelzinnige toespelingen op zowel het verleden als de toekomst. Een rijk versierde gietijzeren kachel gaf warmte, uit een eigenzinnige dubbeldeks-wasbak van edelstaal ontstond een sculptuur, een driedimensionaal, bijna nonchalant presentatievlak met Dornbracht-armaturen. Bij wijze van contrast lagen stapels eenvoudig serviesgoed met uiteenlopende, doodgewone decors her en der verspreid. Een rolbare spoelunit die speelde met de esthetiek van Beuys’ installaties, completeerde het beeld. Aan de buitenkant werden platen van diverse materialen – multiplex, koper, viltbekleding, diverse kunststoffen – aangebracht, die de door grijswitte stalen balken gedefinieerde ruimte ommantelden. Uit de kleuren, consistenties en oppervlakken van de platen ontstond een symbolisch, provisorisch patchwork, een voorbeeldig aanschouwelijk materiaal: de schuur als metateken. Keuken en schuur – beide plekken bieden en betekenen warmte, bescherming en toevlucht. Niet alleen wanneer wij bijvoorbeeld aan het kerstverhaal denken: “You better come on into my kitchen, ‘cause it’s gonna be raining soon” zingt Robert Johnson zijn geliefde in een blueslied toe.

Maar waar kwam het idee van een bonte boerenkeuken vandaan? Mike Meiré: “Na de concepten voor de rituele architectuur die bij Dornbracht in samenwerking met ons voor de badkamer zijn ontwikkeld, vroegen wij ons af: Hoe zou dit kunnen worden toegepast op de ruimte ‘keuken’? In de zin van een werkelijk creatieve avant-gardistische aanpak, die immers ook kenmerkend is voor mijn Energetic Recovery System voor de badkamer. Wat zou dat dus voor de keuken kunnen betekenen? In het design signaleer ik al geruime tijd een tendens tot het gebruik van archaïsche vormen of motieven die gepaard gaat met minimalisme. Men wil iconen creëren: precieze, grafische vormen die memorabel zijn. Maar je moet jezelf wel blijven afvragen: waar heeft een dergelijke minimalisering zin, en waar werkt ze veeleer ontmenselijkend, steriel? De keuken is immers een uiterst complexe plek, een voortdurende ‘making of’ – ja, gewoon zuiver leven, een werkplaats voor de zintuigen. En ik wil gewoon proberen deze eeuw te omarmen met een andere, een kalmere houding: Let’s appreciate!”


Afdrukweergave Afdrukweergave
Naar het begin van de pagina terug verder