J’étais une rebelle

Andrée Putman in conversation with Petra Schmidt

Er wordt in Parijs gestaakt. Een stad in een uitzonderingstoestand. Metro’s en treinen rijden niet meer. Maar de chaos schijnt Andrée Putman niet veel uit te maken. Zij is te laat. Ook zij heft problemen met de moeilijke verkeerssituatie en natuurlijk vele afspraken. En toch blijft de tweeëntachtigjarige rustig. Ze is en blijft de “Grande Dame” in alle omstandigheden. Het domein van de design-studio Andrée Putman zijn internationale designhotels. Geen wonder. Zij was het die het hotel Morgans, het eerste designhotel van de wereld ontwierp. Ze heeft net een luxusherberg in Hongkong voltooid die zelfs haar eigen naam draagt. The Putman is een luxueus aparthotel voor handelsreizigers die de service van een hotel schatten maar zoals thuis willen leven.
Wie dit reeds als ongebruikelijk beschouwt dat een designer in deze vorm een gedenkteken krijgt, kent Putman niet. Zij is sinds tientallen jaren een vaste grootheid in de designwereld en geldt als de grootste experte voor stijlvragen. Zij ontdekte modedesigners zoals Thierry Mugler of Issey Miyake, zij ontwierp het interieur van de legendaire Concorde en produceerde als eerste met haar firma Ecart opnieuw klassiekers van Eileen Gray. Bovendien werkte zij samen met de grote Britse filmregisseur Peter Greenaway aan de film “The Pillow Book”. Zij heeft geen gedenkteken nodig. Zij is er zelf een.

Petra Schmidt: Mevrouw Putman, u komt pas uit de door de staking lam gelegde binnenstad van Parijs. Het spoorwegpersoneel staakt wegens zijn privilege op vijftigjarige leeftijd met pensioen te mogen gaan. U bent ouder dan tachtig jaar en gaat nog elke dag naar kantoor. Wat denkt u daarvan?
Andrée Putman: Zij zijn helemaal gek (They lost their mind).

P.S.: U hebt op de genoemde leeftijd uw eerste firma gestart.
A.P.: Toen ik ongeveer vijftig jaar was, begon ik met Ecart en herproduceerde design-klassiekers. Daar begon eigenlijk alles pas echt. Zolang men zijn leeftijd niet voelt, doet men er goed aan verder te werken. Ik heb geen behoefte te stoppen.

P.S.: U werkt nu reeds zo vele jaren maar uw beroep hebt u niet gestudeerd. Hoe is uw carriëre als designerin begonnen?
A.P.: Nu, ik vond als klein meisje dat men de huizen van onze ouders moest veranderen. Ik hield niet van de bourgeois-snuisterijen. Ik vond de Louis XVI-zetels en lusters in mijn kamer gewoonweg verschrikkelijk. Toen reeds verlangde ik naar grote lege ruimten die niet zo vol waren gestopt. Ik heb mijn moeder gekweld en gevraagd: “Wanneer kan ik met meubelen van onze tijd leven?” Toen ik 18 jaar was, kreeg ik mijn wil.

P.S.: Maar u wou eigenlijk toch musicienne worden en niet designerin? Tenminste was dit de voorstelling van uw moeder.
A.P.: Ja, mijn moeder was heel ambitieus. Maar na enkele gesprekken met musici wist ik dat ik als pianospeelster niet het leven zou leiden dat ik mij voorstelde. Ik wou niet ingesloten in mijn kamer elke dag piano oefenen. Daarom ben ik ermee gestopt piano te spelen en heb ik eerst als styliste en journaliste gewerkt. Ik was toen een kleine rebel.

P.S.: Wat betekent “ermee gestopt”? U speelt toch nog in elk geval voor uw zelf?
A.P.: Neen, ik heb nooit meer een piano aangeraakt. U moet verstaan dat ik toen op een zeer hoog niveau speelde. Ik was zeer veeleisend. Dit spelen voor mij zelf zou toch slechts middelmatig zijn. En middelmatigheid is iets wat ik haat.

P.S.: Hoe kwam u eigenlijk in de jaren tachtig naar New York?
A.P.: Een vriend, Didier Grumbach, had mij daar enkele opdrachten bezorgd. Ik heb toen de showroom van Yves Saint Laurent ingericht. Daardoor behoorde ik gewoonweg tot de kliek van Yves Saint Laurent en werden voor mij zeer vele deuren geopend. Ik leerde toen de tofste mensen kennen zoals Andy Warhol, Keith Haring en Robert Mapplethorpe.

P.S.: U moet toen een fantastische tijd hebben gehad.
A.P.: Ja, ik ging graag uit. Ik geloof dat de nacht de mensen van hun beste kant laat zien. Tijdens de dag gaat het toch alleen maar om rivaliteit.

P.S.: U ontmoette toen de vandaag bejaarde kunstenares Louise Bourgeois, een net zo taaie person als u.
A.P.: Ja. Louise en ik hebben elkaar op een tijdstip ontmoet toen wij beiden niet meer zo jong waren. Maar wij hebben ons onmiddellijk zeer goed verstaan. Zij is gek en zorgt steeds voor een verrassing. Wij gingen toen naar de New Yorkse nachtclub CBGB en mochten de whisky daar niet. Daarom had zij onder haar mantel een fles whisky, die wij dan dronken.

P.S.: Kwam in die nacht ook uw opdracht voor het legendaire Morgans hotel tot stand? Tenslotte waren uw opdrachtgevers Ian Schrager en Steve Rubell, de oprichters van de legendaire studio 54.
A.P.: Neen. Steve en Ian lieten mij in New York op de luchthaven uitroepen. Zij hadden het grote schandaal m.b.t. Studio 54 overleefd en waren pas uit de gevangenis ontslagen. Zij hadden deze idee van het hotel maar hadden nauwelijks geld.

P.S.: Kwam de idee van het design-hotel van beiden?
A.P.: Ja. Het was het eerste design-hotel überhaupt. Maar het gebouw dat ze hadden uitgezocht, was echt verschrikkelijk. Het was een lelijk oud huis in de Madison Avenue waarin dealers en prosituees elkaar ontmoetten. Toen ze mij daarheen brachten, hield ik dat voor een grap. Ich lachte en vroeg: “Weest nu eens ernstig, toont mij eindelijk het hotel.” Maar dat was het hotel.

P.S.: Ik neem aan dat zij het geld voor een beter onroerend goed niet hadden.
A.P.: Ze hadden gehoord dat ik ook met eenvoudige middelen mooie interieurs kon creëren. Daarom lieten ze mij de vrije hand. Wegens het belachelijk budget kwam ik op de idee van de zwarte en witte tegels want ik moest inderdaad de goedkoopste tegels van de Verenigde Staten inzetten. Eerst bood men mij rozekleurige tegels aan. En ik zei: “uitgesloten!” Ik informeerde naar wit. Dat was natuurlijk voorhanden maar wit alleen was voor mij te monotoon. Dan vroeg ik naar zwart. Dit was ook voorhanden. Tenslotte ontwikkelden wij het zwartwitte schaakbordmodel dat wij met de mooie wastafels van metaal en mooi licht combineerden. Plotseling hadden wij deze ongebruikelijke badkamer die ons handelsmerk werd.

P.S.: Men beweert van u dat u een bijzonder faible voor badkamers hebt.
A.P.: Voor mij is de badkamer de belangrijkste plaats in een woning of ook in een hotelkamer. Ik hou van de voorstelling zeer veel tijd in de badkamer door te brengen, misschien zelfs een hele namiddag met boeken en een kan tee. Zich helemaal rustig te wassen en te verzorgen is iets wonderbaars en iets zeer belangrijks voor het welzijn.

P.S.: Men ziet in uw ontwerpen nauwelijks kleuren? Ook in de badkamers niet. Houdt u niet van kleuren?
A.P.: Neen, in tegendeel. Ik houd van kleuren. Maar ik ben van mening dat het interieur op de achtergrond moet blijven. Het moet het kader voor andere dingen vormen. Bijvoorbeeld voor de kunst die meestal ook uit kleuren bestaat. En in badkamers is het nogmaals anders. Precies in de badkamer zijn er zoveel accessoires die kleurig zijn zoals bijv. flacons enzovoort. Daarmee kann men reeds genoeg accenten plaatsen. Men heeft hier geen kleuren nodig.

P.S.: Hoe pakt u de vormgeving van een badkamer aan?
A.P.: Voor mij is de badkamer zoals een werkplaats. Men betreedt ze in geen bijzonder goede toestand en verlaat ze met een perfecte look. Daarom moet een badkamer ook functioneren zoals een werkplaats. Alles moet bij de hand zijn.

P.S.: Bestaan er materialen die u in de badkamer niet wilt inzetten? Hoe ziet dat er met gouden waterkranen uit?
A.P.: O, neen. Ik houd helemaal niet van deze soort tentoonspreiding. Daarbij gaat het er toch alleen maar om de eigen rijkdom en daardoor de eigen macht te demonstreren. Zo iets zoekt u in mijn interieurs tevergeefs. Er zijn steeds opnieuw mensen die met luxueuze armaturen op mij indruk willen maken. “O, kijkt u maar. Deze waterkranen zijn van massief goud.” Ik kan daarop eigenlijk alleen maar antwoorden dat mij dat helemaal niet interesseert.

P.S.: Wat interesseert u dan wel?
A.P.: Mijn basis is de bescheidenheid. Ik ga van de eenvoudige dingen uit. Daardoor ben ik ook bekend geworden. Voor mij is het belangrijk gunstig meubilair waardevol te doen verschijnen. Ook het mengsel van eenvoudige dingen met waardevolle objecten fascineert mij. Dit mengsel geeft aan een ruimte de bijzondere bekoring.

P.S.: Hoe ziet de ideale badkamer eruit?
A.P.: De badkamer is voor mij een plaats waar ik zeer ongewone objecten bewaar. Dit brengt mij ertoe daar meer tijd door te brengen. Het is een plaats voor de zinnen en de verandering van opvatting.

P.S.: U hebt steeds opnieuw de armatuur MADISON in uw interieurs ingezet? Waarom bent u in MADISON geïnteresseerd?
A.P.: Ik mag de vorm van deze armatuur. Zij is zo speels. Alleen al deze kruisvormige draaiknoppen en de vorm van de sproeier zijn heel, heel mooi. Zij herinnert mij aan voorbije tijden, aan het begin van de voorbije eeuw. Ik combineer ze zeer graag met heel duidelijke en moderne vormen. Dit is het eclecticisme, dat voor mijn werk kenmerkend is.

P.S.: Wat verstaat u onder eclecticisme?
A.P.: Ik combineer dingen zoals zij mij persoonlijk bevallen en zoals ze voor mij harmonisch zijn. Ik oriënteer mij niet op basis van bepaalde modes. Dat interesseert mij niet. Ik lees ook geen designtijdschriften en kijk niet naar trends.

P.S.: Hebt u een toekomstvisie voor de badkamer? Hoe zal onze badkamer er ooit eens uitzien?
A.P.: Ik ben ervan overtuigd dat de badkamer qua betekenis zal veranderen. Toekomstig zal zij het centrum van de woning zijn zoals dit voor de woonkamer het geval is. Natuurlijk zal men daar zijn gasten niet ontvangen. Dat niet. Maar het is de kamer, waarin het werkelijk alleen om de eigen persoon gaat. Hier kan men zich terugtrekken en helemaal voor zich alleen zijn. Net zoals de betekenis van de keuken in de loop van de jaren is veranderd en het sociale centrum van elke woning is geworden, zal op lange termijn ook onze instelling tegenover de badkamer veranderen.