De natte ruimte inruilen voor de levende badkamer

Opmerkingen over de hedendaagse grensvervaging van de badkamer

Het idee van water in het huis is een paradox. Als afstammeling van de ark moet de architectuur ons toch eigenlijk beschermen tegen water. Een dak boven ons hoofd is tenslotte datgene wat wij in de eerste plaats verwachten van een huis. Toen de Romeinen het Latijnse woord tectum (Nl. dak) gebruikten, bedoelden ze daar vaak het volledige huis (Lat. domus) mee. Er bestaan ook wel huizen zonder muren, bijvoorbeeld in de tropen, maar geen huis zonder dak. Terwijl het water, dat uit de hemel valt, in de landbouw wordt vereerd als bron van leven, heeft het in de architectuur altijd een bijbetekenis van vernieling en vergankelijkheid. Een lekkend dak brengt vuilnis en schimmel en verandert een keurige houten parketvloer in een handomdraai in een afschuwelijk toneel van opgezwollen planken, die bol gaan staan en met geweld uit hun omlijsting breken. Niets doet zo grondig afbreuk aan de reputatie van architecten als waterschade en daarom besteden ze er enorm veel tijd aan om hun huizen dicht te maken. De conflicten, die tussen bouwheren en architecten al werden uitgevochten over ongewenst water, zijn legio. Dicht zijn of niet zijn, dat is hier de vraag – protest afgewezen. Fysisch is water voor architecten eigenlijk een gruwel, omdat het zeer moeilijk te controleren valt. Ze kunnen het alleen verdragen door het esthetisch te sublimeren. Om hun onderdrukte waterfobie te verdrijven, omgeven ze hun gebouwen met reflecting ponds of swimming pools, omdat het water hier uiteindelijk hun creaties een keer niet vernielt, maar met zijn spiegelend oppervlak optisch zelfs nog versterkt.
De badkamer vormt vanuit dit standpunt een uitzonderingstoestand in het droge bouwregime van de architectuur, een gedulde anomalie. Het is de einige ruimte in het huis, die echt nat mag zijn. De “natte cel”, dit technische begrip van de moderne badkamer, moet heel letterlijk worden begrepen: het is een ruimte, waarin men water gevangen houdt. Binnen de huiselijke wereld vormt de badkamer een heterotopie. In de badkamer wordt het water symbolisch gereinigd van alle negatieve connotaties, waar het buiten deze grenzen steeds meer mee wordt geassocieerd. De hedendaagse badcultuur lijkt inderdaad toegenomen te zijn in de mate, waarin water als materie in meerdere opzichten steeds problematischer werd:
Water wordt schaars: In vele ontwikkelingslanden zal de schaarste aan drinkwater de komende decennia miljoenen mensenlevens kosten of verre reizen noodzakelijk maken, wat bij de mensen in de “ontwikkelde” landen een bewustzijn tot stand zou moeten brengen, dat ze spaarzamer moeten omgaan met deze ressource. Daarvan is nog niets te merken. De voortuinen van Californische voorsteden worden kunstmatig bewaterd zoals altijd, alsof de aanblik van een groen gazon levensnoodzakelijk zou zijn. Maar zelfs wij in het “vooruitstrevende” Europa, die ecologisch correct willen zijn, zouden eigenlijk buikpijn moeten krijgen gelet op de hoeveelheid drinkwater, die wij niet gebruiken om te drinken – bijvoorbeeld omdat onze toiletten ook worden gespoeld met drinkwater, aangezien onze huizen doorgaans niet beschikken over een apart leidingsysteem voor industriewater.
Water wordt een product: Voor Nestlé, de wereldmarktleider in de productie van tafelwater (in flessen gebotteld leidingwater), is drinkwater al lang een product, dat een marktwaarde heeft net zoals ieder ander product. Omdat de economisch rijke landen van het noorden ook rijk zijn aan water, zullen ze in de toekomst een watermonopolie hebben. Een lonend kapitaal, wanneer men bedenkt, dat economen water reeds bestempelen als de olie vande 21ste eeuw.
Volgens de regels van de economische rede is te verwachten dat de waterrijke landen dit monopolie ook zullen gebruiken, omdat totnogtoe alle landen met ressources aan natuurlijke energiebronnen zoals aardolie en aardgas hun monopoliepositie in hun eigen voordeel hebben geëxploiteerd. Het slachtoffer daarvan zullen de waterarme landen van het zuiden zijn, in het bijzonder de Afrikaanse landen, die toch al gebukt gaan onder een voedseltekort en die door de uitbreiding van de woestijnen ten gevolge van de klimaatverandering nog meer te lijden zullenhebben van het watertekort.
Water veroorzaakt rampen: Zonder water kan men niet leven, maar van te veel kan men eveneens ten onder gaan. De continu smeltende polen doen de zeespiegel zodanig stijgen, dat hele eilanden in de Stille Zuidzee verdwijnen1) en een aantal dichtbevolkte kuststreken verspreid over de hele wereld door de zee worden verzwolgen. Omdat deze kusten vaak ook industriële infrastructuren herbergen, zullen de getroffen staten ook blijvende economische schade oplopen. Stormvloeden en overstromingen verliezen hun uitzonderingskarakter en worden een normaal verschijnsel. Water, of het nu uit de hemel of uit de zee komt, wordt een permanente dreiging.
Aan dat alles denkt men natuurlijk niet, wanneer men in de badkamer de waterkraan opendraait en precies in deze verdringing ligt de hedendaagse culturele functie van de badkamer. Het is een ruimte van verheerlijking en verandering. Daarin lijkt ze op de White Cube, de normatieve kunsttentoonstellingsruimte voor moderne kunst. De White Cube doorbreekt tijdelijk de dagelijkse sleur, laat het gewone buitengewoon lijken en verandert onze blik op de realiteit. Dat de klassieke moderne badkamer net zo wit is als de White Cube, onderstreept haar heimelijke medeplichtigheid. Het is ook zeker evenmin een toeval, dat Marcel Duchamp een urinoir heeft gekozen, om zijn principe van het “Objet trouvé”, dus de transformatie van een dagelijks voorwerp in een kunstwerk, te manifesteren (“Fountain”, 1917). De badkamer voert een gelijkaardige transformatie met ons uit. Het is een plek van onze lichamelijke sluimering – de ruimte tussen slapen en waken. Het is een sluis, waarin wij ons transformeren van het in gedachten verzonken ik, dat uit het rijk der dromen komt en zichzelf eerst opnieuw moet zoeken en vaak pas bij de blik in de spiegel weer met zichzelf geconfronteerd is. Het is de ruimte, waarin wij door de daarop volgende lichaamshygiëne, het zich opmaken en maquilleren in alle opzichten pas opnieuw controle krijgen over ons ik en veranderen in het ik, dat wij van onszelf willen maken.
Wat dit betreft is de badkamer een extreem private ruimte. Tegelijkertijd delen wij deze private ruimte vaak met andere gezinsleden. In tegenstelling tot de slaapkamer, die doorgaans toegewezen is aan één persoon of aan intieme levenspartners, functioneert de badkamer als een time-shared private-public space. Dat kan leiden tot conflicten in gezinnen of woongemeenschappen, omdat het mij hier duidelijk wordt dat de privacy, die ik in deze ruimte kann beleven zoals eigenlijk nergens anders, slechts tijdelijk bestaat.
De functionalistische all-in-one-badkamer speelde in zoverre een dominerende rol in het samenleven van mensen. Ze conditioneerde fundamentele ideeën van individualiteit en collectiviteit van een gemeenschap, die een woning deelt. Deze psychosociale functie van de badkamer is misschien net beschikbaar door de ruimtelijke transformatie, die de badkamer sedert enkele jaren ondergaat. Tegen de achtergrond van de wellnessboom van de afgelopen jaren verloor de functionalistische cellenbadkamer steeds meer terrein. Wij willen ons in de badkamer vandaag niet meer gewoon wassen, maar ontspannen. De badkamer wordt daardoor meer en meer een woonruimte. De toenemende ruimtelijke integratie van de badkamer in de woonruimte, die men in het hedendaagse lifestylewonen vandaag steeds vaker aantreft, is dan ook slechts een logisch gevolg. De vraag is, wat voor nieuwe psychosociale gedragsvormen dit geïntegreerde baden zal doen ontstaan. Daarbij is het bijzonder interessant, dat de typologie van de “woonbadkamer” zich vooral in het hoteldesign heeft ontwikkeld. Architecten en ontwerpers ontdekten in het hoteldesign een soort testlaboratorium, waarin ze nieuwe verhoudingen tussen badkamer en woonruimten konden uittesten, zonder veel rekening te moeten houden met de gevestigde conventies van het wonen – tenslotte verblijft niemand eeuwig in een hotel. Omgekeerd zoeken wij als reizigers in een hotel eerder naar de afwijking van onze huiselijke norm; kleinburgerlijk wonen kunnen we altijd thuis nog. En omdat wij in een hotelkamer normaal gezien altijd privé zijn, zijn we bijna automatisch meer bereid om risico’s te nemen bij het “testen” van woonvormen, waar we ons thuis misschien niet aan zouden hebben gewaagd – om de vervelende vragen van gasten te vermijden.
De moedigen onder ons vragen zich natuurlijk reeds zo nu en dan af, of men de opwindende badkamerbelevenissen ook niet mee naar huis kan nemen, om de huiselijke wooncultuur naar een nieuw niveau te brengen. Het is duidelijk dat met de ruimtelijke integratie van badkamerfuncties in de woonruimte niet alleen de functies van de badkamer veranderen, maar natuurlijk ook die van het wonen. Handelingen en personen, die voordien ruimtelijk gescheiden waren, bevinden zich plotseling naast elkaar en moeten op een nieuwe manier met elkaar worden verbonden. Wanneer bijvoorbeeld in het Hotel Almerigo in Alicante de wastafels uit de badkamer naar de gang verplaatst zijn, ontstaat er een direct verband tussen het uitkleden (voor de wastafel) en het aankleden (voor de garderobe direct daarnaast). Wanneer zoals in het Hotel Q in Berlijn een zithoek vloeiend overgaat in een badkuip, stelt zich de vraag, hoe deze ruimtelijke nabijheid invloed zou hebben op een gesprek met een groep mensen. En wanneer zoals in het Downtown Standard Hotel in Los Angeles de douche slechts door een glazen wand gescheiden is van het tweepersoonsbed, ontstaan er mogelijk totaal nieuwe perspectieven voor verleiding. De woonbadkamer maakt het zinnelijke deficit van de klassieke natte cel daadwerkelijk overduidelijk. De wit betegelde badkamer is net zo ongepast als een in verblindend helder licht gedompelde darkroom. Misschien ligt het wel aan ons noordelijk koude klimaat. Het valt inderdaad op, dat de materiaalintensieve sublimatie van de private badcultuur vandaag vooral plaatsvindt in landen met slecht weer. In Sydney hebben eengezinshuizen die in de natuur liggen, outdoor bathrooms, waarbij men zich eerder terrassen dan ruimten moet voorstellen. Men doucht in de open lucht, hoort de vogels tjilpen en ademt de geur van het bos of van de zee in. Waarschijnlijk zou daar niemand op het idee komen om het ritueel van de lichaamsreiniging te verbannen naar een kamer ergens in de achterste uithoek van het huis! Tegen deze achtergrond lijken al die luxueuze en paradijselijke badkamerkranen van de hedendaagse lifestylebadkamer pogingen om deze tropische oorspronkelijkheid naar de sombere en koude streken van Noord-Europa te brengen: douchekoppen, die steeds groter worden, tot ze volledig in het plafond opgaan, om ons te overgieten met moessonachtige regenbuien; watervaldouches, die ons tijdelijk naar een waterval brengen; whirlpools, die ons door het werk verkrampte lichaam zachtjes moeten masseren, enz.
Met deze “terug naar de natuur”-trend in het hedendaagse badkamerdesign keert de moderne badkamer in principe terug naar zijn historische oorsprongen in de late 18de eeuw, toen het huiselijke baden eigenlijk opnieuw in de mode kwam en de twee eeuwen durende watervrees van de barok beëindigde. De toenmalige dokters dachten dat water schadelijk was. Ze geloofden dat het via de poriën zou binnendringen in het lichaam, zich zou vermengen met het bloed en zo zwakzinnigheid en waterzucht zou bevorderen. In de plaats van te baden, wreef men de huid af met geparfumeerde handdoeken en droeg men hoogwaardig linnen ondergoed. Door de aanraking met het lichaam zou de stof als het ware al het vuil van de huid losmaken, dacht men. Hoe kostbaarder het ondergoed, des te schoner voelde de drager zich. “Rond het midden van de 17de eeuw wisselden de edellieden dagelijks van hemd en de welgestelde stadsbevolking om de drie tot zeven dagen. In de plaats van een badkuip te kopen, schafte men zich als hoveling gemiddeld dertig hemden aan. (...) Men verstopte zich achter geparfumeerd poeder en kleurrijke make-up, overgoot zich met parfum of stopte geurzakjes onder de oksels (een voorganger van de deodorant) en in de plooien van de kleren.”2) Baden nam men alleen nog voor medische doeleinden. In de tweede helft van de 18de eeuw, bij het begin van de verlichting, de natuurfilosofie van Rousseau en nieuwe natuurwetenschappelijke inzichten, keerde de natte badcultuur langzaam weer terug. Aanvankelijk was het bad echter niet zozeer een kamer dan wel een vorm van meubilering. Ook omdat er nog geen stromend water was, was de badkuip niet vast in een ruimte geïnstalleerd, maar werd ze naar een willekeurige kamer gedragen, waarin men zijn bad wilde nemen – vaak in de salon. Daardoor werd de badkuip in het interieur ook als salonmeubel behandeld, niet als sanitairobject. “Kunstschrijnwerkers overtroffen elkaar onderling op het gebied van ideeën en ambachtelijke bedrevenheid, om badkuipen voor het ‘bad in de salon’, dat men in gezelschap in zijn slaapkamer nam, te veranderen in echte meubels, die bij de stijl van de tijd pasten en gemakkelijk te transporteren waren.”3) De eigenlijke badkuip uit vertind koper werd vanbuiten versierd met schilderwerk en door aangezette gestoffeerde leuningen gecamoufleerd als zetel of chaise longue. Het baden was gewoonweg een vorm van wonen. Dit “mobiele bad” vormt de basis voor de badcultuur van de hogere burgerij, die ontstond aan het begin van de 19de eeuw. Bij gebrek aan stromend water in de woningen liet men warm water samen met een badkuip door een leveringsservice met paard en wagen aan huis brengen. Om door smalle trappenhuizen te geraken, gebruikte men samenklapbare badkuipen, die in de gang van de woning werden opgesteld en met voorverwarmd water uit emmers werden gevuld. De gang, eigenlijk de meest publieke ruimte van de burgerlijke woning, veranderde tijdelijk in de meest private ruimte. In tegenstelling tot de latere moderne badkamer creëert het baden nog niet zijn eigen ruimtelijke atmosfeer, maar gaat het volledig op in de huiselijke ambiance van het wonen. Dit blijft ook zo, wanneer in de 2de helft van de 19de eeuw de woningen in de Europese metropolen worden uitgerust met stromend water. In deze periode ontstaat de “Engelse badkamer”, die wij vandaag nauwelijks zouden herkennen als badkamer, omdat alle sanitairobjecten huiselijk gecamoufleerd zijn: de badkuip bestaat uit dubbelwandig porselein en is aan de buitenkant bekleed met mahonie (!). Met haar geïntegreerde douchecabine doet deze badkuip vandaag eerder aan als een biechtstoel om in te liggen, maar rond de eeuwwisseling was ze de nieuwste mode in de hogere kringen. Pas aan het begin van de 20ste eeuw begon men de functionaliteit van de badkamer niet meer te verbergen. De huidige trend van de woonbadkamer lijkt deze historische ontwikkeling in spiegelbeeld terug te projecteren naar het verleden. In een soort retro sciencefiction “herontdekken” onze hedendaagse badkamerontwerpers steeds meer het bad van voor de uitvinding van de badkamer: Ik baad, dus ik woon.