Beauty – the last anarchy

Wie zich aan schoonheid toewijdde, gold voor kort nog als hopeloos ouderwets. Het technisch tijdperk zag in het daarin betoond respect een relict van de intellectuele bourgeoisie; schoonheid was te eenvoudig en niet van kitsch te scheiden daar haar harmonische maten toch industrieel en mediaal gemakkelijk alsook en masse geproduceerd konden worden. Zelfs de hedonische jaren 90 liepen voor haar niet warm want de dotcom-generatie was te zeer met de eigen kansen bezig om het schone te zoeken dat nergens meer naar toe wil. Begeerd was alles wat prestige beloofde. Men genoot van het dure, het protserige en het luide. In het zog van grenzeloze mogelijkheden zag de globale, door netwerken verbonden wereld koortsachtig uit naar de beloften van een nieuw millennium. Sindsdien is de stemming veranderd.

De crisis van de wereldeconomie en het opduiken van het internationale terrorisme spelden het door zichzelf bedwelmde westen een vergankelijkheidsles. Sinds de roes voorbij is, staan wij voor het ontnuchterend inzicht dat de aarde zich niet in een paradijs veranderd heeft. De grote schoonmaak is begonnen waardoor de dingen in orde gebracht worden en voor duidelijkheid gezorgd wordt. Het is geen toeval dat schoonheid opnieuw tot een thema van openbare debatten en grote tentoonstellingen geworden is. De esthetische discussie probeert het uit de klemmende commerciële greep te krijgen om het voor de kunst opnieuw vruchtbaar te maken. Want zoals in de mode, die kenteringen het snelst registreert, is ook in de kunst een nieuw tijdperk begonnen. Terwijl allerlei shocks aan de orde zijn, hebben kunstenaars de lust verloren om te provoceren. Van de New Yorkse moderne-kunstveilingen wordt een toenemende belangstelling voor het decoratieve gemeld. Ook de mode is ongebreideld verliefd op versierende details, siernaden en een massa accessoires.

De creatievelingen hebben de gemeenschappelijke wens emoties te wekken, te roeren in plaats van te bevreemden, te fascineren in plaats van te bruuskeren. Sinds Duitse klassieke kunstenaars de idee in haar belichaamd zagen, heeft men een bepaalde soort schoonheid als raadselachtig en koud ervaren. Gevoelens die zij oproept laten haar koud; het doet er niet toe of het om een Atheense adonis van steen gaat, Garbo of de Barcelona-chair. Een typische voorvechter van deze strenge schoonheid is de Weense modernist Adolf Loos, die ornament en misdaad met elkaar gelijkstelde. Op dezelfde manier dacht ook zijn collega Walter Gropius, voor wie het opgaan van de vorm in de functie gelijk te stellen was met schone vorm en al het functionele mooi was.

“Wat zegt u als uw architectuur mij gewoonweg niet bevalt?”, vroeg hem een Amerikaanse student na een voordracht. “Dan bent u neurotisch”, antwoordde de meester, voor wie zijn uitspraak over smaken verheven was. De moedige student werd tot voorspreker van een schoonheid die niet mathematisch perfect en tot het elementaire gereduceerd is. Hij behoorde tot de eerste stemmen van een laatmoderne periode die op zoek naar een niet-dogmatische schoonheid zulke verschillende fenomenen als Mark Rothko en Roy Lichtenstein produceerde, twee kunstenaars die in deze New Yorkse herfst de hoogste prijzen ontvingen. Een idealist als Hegel zou de bedwelmd zwevende kleurvlakken van Rothko en de stripverhaalmotieven van Lichtenstein elke soort schoonheid ontzegd hebben en ze voor al te willekeurig en sentimenteel verklaard hebben. Precies zo rigide ging de moderne periode van Loos met kunstwerken om, waarbij de subjectiviteit van de kunstenaar te zien was. Maar de hedendaagse discipelen van zo’n speelse-emotionele schoonheid bewijzen dat zij haar critici eens te meer overleefd heeft. Als mooi ervaren wij precies nu het kwetsbare en het biografische, de penseelstreek, de persoonlijke signatuur. In New Yorkse en Berlijnse galerijen hangen tekeningen die aan kleuterschoolpogingen of bierviltjesgekrabbel herinneren. Zij zijn in filigraan met een bleek kleurpotlood uitgevoerd, intiem, privaat en gecodeerd. In hun antimonumentaliteit hebben zij de charme van picturale stenogrammen, de frisheid van momentopnames en de bescheidenheid van de eerste schetsen. Pas bij nader toezien herkent de toeschouwer dat ervaren handen aan het werk zijn die zich – in plaats van met olie en acryl – bij voorkeur lichtjes uitdrukken. Men moet aan hun werken vooraf een bepaald vertrouwen schenken, zich neerbuigen en zich in hen verplaatsen.

Hetzelfde fenomeen kan in de film waargenomen worden, bijvoorbeeld wanneer een jonge vrouw als Sophia Coppola in “Lost in Translation” de innerlijke processen van haar onspectaculaire held centraal plaatst in plaats van in acties verteerd te worden. Voor een verschuiving van onze culturele behoeften spreekt ook het plotselinge, wereldwijde succes van de Koreaanse film. De laatste Berlinale vierde Im Kwon-Taek met een terugblik en toonde in volle bioscoopzalen poëtische films waarbij het gaat om een traditionele begrafenisceremonie of het treuren om een door de Korea-oorlog verloren liefde. Opzien baart bovendien de jonge Kim Ki-Duk, die over een klein Zenklooster op een afgelegen eiland of een verliefd paar vertelt dat een nomadenleven in de steden leidt zonder ook maar één woord met elkaar te wisselen. Daarbij wordt de kosmopolitische consumptiewereld uitgedaagd door een op Zen gelijkende concentratie en sjamanistische transcendentiemomenten. Ook de drie uur durende film van Philip Gröning over het zwijgklooster La Grande Chartreuse wil zich onttrekken aan het zog van hectische mobiliteit. De schoonheid van “De grote stilte” ligt in het waagstuk de zinnen van de toeschouwer niet door een stringente handeling in te spannen. In plaats van te overweldigen, herinnert het gefilmde dagelijkse leven van de kartuizers de toeschouwer aan zich zelf. Een “rustruimte”, zegt de regisseur, zou hij met het oog op een wereld vol met “paniekknooppunten” willen openen en de ervaring verschaffen dat echte tegenwoordigheid “puur geluk” is. Typisch voor deze bioscoop is de strakke blik voor het bijzondere, voor levensvormen die zich aan de algemene waarden onttrekken en door hun eigenzinnigheid kwetsbaar maken. Want tot de schoonheid behoort het aanvaarden van grenzen. Zij dringt zich niet op maar laat het aan de tegenpartij over haar vurig centrum te ontdekken. Misschien geeft ons pas de plastische chirurgie de mogelijkheid de centrale rol te herkennen die de afwijking bij de schoonheid speelt. Gezichten waaraan door het inspuiten van vullingen en het spannen van de huid gladheid en symmetrie verleend werden, gelijken op elkaar op spookachtige wijze. Zij maken vaak een komische indruk en gelijken eerder op een parodie van de schoonheid. Tom Ford, die de koers van de jaren 90 als Gucci-chefdesigner meebepaalde wees er recentelijk op dat wij door de overdrijving van de vorm, door het opgepompte en het grote gefascineerd zijn. Niet alleen onze auto’s zien er als gedrongen tanks uit. Ook onze lippen, wangen, boezems en billen zien er als opgeblazen luchtkussens uit. Bij de gemanipuleerde schoonheid mist de Amerikaan de nuancen: “Wij zijn het gewend alleen nog maar overwerkte foto’s te bekijken en daarbij hebben wij ons zelf in plastic veranderd. Wij gelijken op stripverhaalfiguren. Maar omdat wij gedurende millennia gestudeerd hebben, wat er humaan uitziet, kunnen ons kunstmatige gezichten niet zo gemakkelijk overtuigen.”

Intussen wordt het natuurlijke gezicht steeds meer een kostbaarheid en geniet het als rariteit een bepaalde cultusstatus. Maar voor Ford gaat het niet om de curiositeitswaarde maar om genetische coderingen en het instinct dat voor het lege gelaat te veel ontziend terugdeinst. Onze gevoelens worden door levensen karaktersporen gestimuleerd, zij zoeken in de tegenpartij de verwijzing naar haar geschiedenis. Als mooi geldt de indruk van diepte, volheid en complexiteit, precies dat wat men ook stijl noemt. Het stijlbegrip heeft veel implicaties van het schone opgezogen, vooral in zijn Angelsaksische vorm die gekenmerkt is door zijn op alle onderdelen van het leven overslaande “style”. Dit gebruik gaat van het geslaagd persoonlijk optreden via de consequente vormgeving van films, tentoonstellingen en magazines tot de firmaspecifieke merken.

Want wat voor het menselijke gezicht onder invloed van de schoonheidschirurgie geldt, is ook van betekenis voor de attractiviteit van groeiende merken die een globale aanbodsstroom onder druk zet. Wegens het gevaar gekopieerd te worden en verleid te worden de strategieën van andere ogenblikkelijke winnaars te imiteren beschermt ook zij vooral de enscenering van de eigen sterkten en tradities en ziet zij ervan af iedereen te bevallen.

In plaats van niet-identiteit en rollenspel luidt de leus authenticiteit en serieusheid. Daarbij zorgt het teruggrijpen op spirituele contexten voor welkome synergie-effecten. Zij suggereren dat het individu het ideaal in zich zelf draagt, op de een of andere manier bezielt en door een hogere zin dan de pure zinnelijkheid gedragen is. Hier speelt het voor de natuur van het schone zo belangrijke aspect van de aura een rol. Walter Benjamin definieerde ze als “eenmalige verschijning van een verte, zo dicht zij ook moge zijn”, en sprak daarmee de afstand aan die het schone niet noodzakelijkerwijs koud maar onconsumeerbaar maakt. Indien het zich terugtrekt, transporteert het verder dan het heden, wekt dromen, gedachten en herinneringen.

Maar meer dan al het andere karakteriseert het schone het plotselinge waarmee het in ons bewustzijn doordringt en een kracht in ons laat opborrelen zoals een jachthond die te lang op de mat lag. Dan zijn wij veranderd als een blad aan een boom, bevinden ons soms gedurende dagen in een nieuwe stemming en worden steeds aan onze verwachtingen en sterkste overtuigingen herinnerd. Men zou het schone als de enige vorm van anarchie kunnen bestempelen die geen politieke discussies nodig heeft om ons te bevrijden van alles wat oud en angstig aanvoelt. Mooi is daarom geen bepaalde proportie, geen zoals altijd gepolijst oppervlak, geen enscenering die aan alle schoolregels voldoet maar het onbekende dat onze belangstelling voor de wereld met een elektrische schok wekt zodat de loop der dingen opnieuw met ons moet rekenen.