Ideals or the enthusiasm for freedom

“Geef vorm aan je eigen bestaan”, luidde het credo van het Duitse Idealisme. Maar het ging niet om egocentrische zelfverwezenlijking, maar om de erotiek en het charisma van de overgave. De proef op de som: in Google het trefwoord “ideal” ingetypt. De straf volgt een muisklik later: van het Duitse “ideale navi naar het feest” tot “ideale reisdoelen”, de “ideale schoonzoon” tot het “ideale laxeermiddel”, wordt een begrip dat ooit de kern van een cultuurfilosofie was, waarmee de grootste namen van de Duitse geestesgeschiedenis verbonden zijn, als gedegenereerde smaakversterker gebruikt: Immanuel Kant, Johann Gottlieb Fichte, Georg Wilhelm Friedrich Hegel, Friedrich Wilhelm Joseph Schelling. Deze elite van denkers werd versterkt door uitzonderlijke dichters en literatoren als Johann Wolfgang von Goethe, Friedrich Schiller, Johann Gottfried Herder, Novalis (Friedrich Freiherr von Hardenberg), Friedrich Hölderlin en de broers August Willhelm en Friedrich Schlegel. Ze refereerden allemaal aan Plato, de Griekse oervader van de ideeënleer. Hij had “idea”, het idee, als brandstof van al het denken en handelen ontdekt: Oerbeeld van de zinnelijke verschijning. Het hoogste idee achtte hij dat van het goede, voor hem grond van de waarheid en het inzicht, één met het goddelijke verstand.


Maar tegenwoordig worden ideeën haast uitsluitend als goedkope bastaarden van handelswaarden die ze alleen maar hoeven te dienen behandeld. Idealen, als het ware ideeën in pure vorm, die ook als verheerlijkte, verabsoluteerde ideeën opgevat kunnen worden, moeten zich de wereldvreemde relicten en uitgestorven fossielen van ironisch grijnzende tot cynisch verachtelijke gering- schatting laten welgevallen; idealiteit, volgens Hegel “het zijn als voorstelling”, stuit ten slotte alom op niet-begrijpend fronsen van het voorhoofd. Terwijl ca. tweehonderd jaar geleden, in de periode van het Duitse idealisme tussen verlichting, klassieke periode en romantiek, die niet veel langer dan zo'n zestig jaar van het tweede derde van de 17e tot het eerste derde van de 18e eeuw duurde en als geen ander tijdperk inspiratie en esprit met elkaar verbond, een hele generatie in vuur en vlam stond voor het genie Plato, om zichzelf zo volledig te vernieuwen. “Sapere aude! Heb de moed je eigen verstand te gebruiken”, zo definieert Immanuel Kant in 1784, vijf jaar voor de omwentelingen door de Franse Revolutie, de leus van de verlichting. “Het idealisme”, schrijft Friedrich Schlegel, “is in praktisch opzicht niets anders dan de geest van die revolutie”, en met vooruitziende blik verklaarden Fichte, Schelling en Hegel, daarin Rousseau volgend, vrijheid tot mantra van het tijdperk: “Mijn systeem is van het begin tot het eind een analyse van de vrijheid”, aldus Fichte en Schelling veralgemeent: “Het begin en het einde van alle filosofie is – vrijheid”. Hegel met zijn universele aanspraak duidt zelfs de hele wereldgeschiedenis als “voortgang in het bewustzijn van de vrijheid”. Gelijktijdig revitaliseerden Kants leerlingen de maximen van Plato voor hun rebelse generatie, waarin ze de verhouding tussen realiteit en idealiteit opnieuw definiëren. Zo ontwikkelt Kant vanuit het inzicht, dat “Idee niets anders dan het begrip is van een volkomenheid, die zich als ervaring nog niet heeft voorgedaan”, zijn “transcendentale idealisme van alle verschijnselen”: “Ruimte en tijd zijn slechts onze voorstelling, waarin materie als verschijnsel werkelijkheid bezit”. Fichte, Hegel en Schelling gaan een stap verder. Ze definiëren het zijn als uitsluitend subjectief zijn en de realiteit van het ik als enige realiteit. Terwijl Fichte “het ik als absoluut subject” opvat, beschrijft Schelling het “als begin en einde van alle filosofie, doordat het de vrijheid is”. Hegel, die het ik en de ziel gelijkstelt, vat het op als “het algemene dat bij zichzelf is.” Arthur Schopenhauer, wat per slot van rekening een van de meest invloedrijke voortrekkers van het relativistisch-nihilistische bewustzijn van het moderne is, die door Friedrich Nietzsche, Richard Wagner, Albert Einstein, Thomas Mann tot en met Samuel Beckett vereerd werd, brengt de dialectische relatie tussen subject en object, realiteit en idealiteit naar een punt dat tot op heden geldt: “De hele wereld van objecten is en blijft voorstelling en juist daarom absoluut en overal ter wereld bepaald door het subject; dat will zeggen dat deze transcendentale idealiteit heeft”.


Het inzicht dat de maatstaf voor subjectiviteit aan idealiteit en daarmee aan de graad van het betreffende idealisme en juist niet aan materialisme gebonden is, schijnt haast uit het zicht te zijn. Daarom helpt het, om zich op het prototype van het idealisme, de furieus-geniale dichter, dramaticus, filosoof en estheticus Friedrich Schiller te richten. Voor de schrijver Rüdiger Safranski, die een schitterende, zeer lezenswaardige biografie aan hem wijdde, heeft Schiller het Duitse idealisme als het ware uitgevonden “Het avontuur van de vrijheid was Schillers passie”, zo schrijft Safranski, “en daarom werd hij een Sartre van de late 18e eeuw”. Schillers idealisme bestaat in de overtuiging dat het mogelijk is om de dingen te beheersen, in plaats van je erdoor te laten beheersen. Net als Sartre verklaarde hij: “Het gaat erom, iets te maken van hetgeen, waartoe je gemaakt werd”.


Grandioos modern, distilleert Schiller de essentie uit Kants filosofie en modelleert deze in een eigen korte zin: “Geef vorm aan je eigen bestaan”. Maar noch hij, noch Kant duidden zelfbeschikking zoals dat tegenwoordig gebeurt, als ongeremde egotrip voor het vervullen van meer of minder pijnlijke consumptiewensen. Het ging juist niet om infantiel egocentrische zelfverwezenlijking, het hopeloos roteren om de eigen leegte. In plaats daarvan volgden de idealisten van de Duitse klassieke periode en romantiek hun “productieve verbeeldingskracht” (Kant) en ontdekten dat zelfverwezenlijking de noodzakelijke voorwaarde was om het utilitarisme, het eendimensionale nuttigheidsprincipe, de oneindige ontplooiingsmogelijkheid van de creativiteit af te dwingen. Zo kan Schiller schoonheid als “vrijheid in de verschijning” definiëren en kort daarna Novalis zelfs de hele existentie esthetisch verhogen: “Doordat ik het gewone een hoge zin, het gewoonlijke een geheimzinnig uiterlijk, het bekende de waarde van het onbekende, het eindige een oneindige glans geef, romantiseer ik het.” Een briesje van dat enthousiasme van de verandering, van dat charisma van vrijheid zou tegenwoordig geen kwaad kunnen. Een zweem van dat uitbundig hymnische temperament, dat Schillers ode “vreugde, fraaie goddelijke vonken … deze kus van de hele wereld!” vervult en dat door Beethoven congeniaal op muziek werd gezet, zou onze diepbevroren zielen misschien kunnen helpen ontdooien. Want volledig “ontidealiseerd”, zoals Alexander Gorkow, auteur van de wonderbaarlijk raadselachtig komische roman “Mona”, de gevoelsstaat van zijn held, een specialist voor kettingsystemen, karakteriseert, zijn wij het slachtoffer van een ongehoord materialisme. Helaas is het heersende egoïsme haast overal in een itsluitend nog materialistisch gedetermineerde vorm en niet in idealistische vorm meer aanwezig. Waar alles en iedereen een merk wordt, zijn ook de idealen uitsluitend voor wat betreft de toepassing ervan interessant, als strategische elementen van charity-evenementen, die image en verkoop bevorderen.


Gelukkig heerst er sinds korte tijd een zeker onbehagen over de onethos van de totale realiseerbaarheid en manipulatie. En het wordt, paradoxale ironie van ons lot op deze aarde, door klimaatverandering en globalisering aangewakkerd. Zo lijkt het, alsof uitgerekend de smeltende poolkappen tot een mate van ontdooien van de postkapitalistische verstardheid bijdragen: eco-glam in plaats van ego-glam is sinds kort het devies bij steeds meer tijdgenoten. Ook al gaat het daarbij met grote prioriteit om excessief op de markt gebrachte “Fair trade”, faire handel en ecologisch “groen”, dus milieubewuste business, toch is het nieuwe zogenaamde ethische kapitalisme een lichtpuntje. Met uitzicht op een nieuw idealisme? We kunnen in elk geval van de helden van het idealisme leren, dat er buiten marketing en realiseerbaarheid ook andere waarden zijn; liefde, vriendschap, geborgenheid, vertrouwen. En degene die het nog aan moed voor romantisch idealisme ontbreekt, mag met Jean Paul Sartres existentialistische idealisme beginnen, waarvan de maxime de volgende is: “Elk mens belichaamt de hele wereld.”