John Pawson

De bekende, met minimalisme geassocieerde Britse architect en Designer over zijn aparte benadering van de ideale keuken.

John Pawson, geboren in 1949 en werkend in Londen in gesprek met Dominic Lutyens. Hij werkte aan projecten uiteenlopend van een toonaangevende winkel voor Calvin Klein in Manhatten en een nieuw Cisterciënzerklooster in Bohemen.

Dominic Lutyens: Hoe gebruikt u uw keuken? Over welke apparatuur (zoals grotere zaken als ovens en spoelbakken) moet u absoluut kunnen beschikken?
John Pawson: Mijn keuken is identiek aan die, welke ik voor ieder ander ontwerp. Als meest elementaire zaken, moeten er water en een werkvlak zijn. Ik vind gas prettig, hoewel me verteld is dat inductieve verwarming de toekomst heeft. Ik vind gas prettig, omdat het een natuurlijke warmte geeft: een beetje zoals een houtvuur. Ik zou graag vuur in de keuken willen hebben: zoals dat van een pizzaoven. Maar we hebben een barbecue vlakbij de keuken. Hij staat net buiten de deur, in de tuin en enkel van de keuken gescheiden door een enorme glazen schuifpui. Ik ben ook dol op mijn traditionele waterketel: een Amerikaanse Calphalon- ketel – een cadeau van Martha Stewart – om er oolong of lapsang souchong thee mee te zetten. Ik vind zijn fluitend geluid erg prettig. Ik kan die cilindrische, kunststof elektrische ketels niet uitstaan. En ik haat kranen, waarmee je kokend water kunt tappen. Ik brand me er altijd aan. Ik vraag me altijd af wie er een andere straal wenst? Natuurlijk is het praktisch om een koelkast en een oven te hebben. Ik heb een Miele-koffiezetmachine, die bonen maalt en espresso’s zet, maar die staat in een kastje opgeborgen. Ik heb een ‘La Cornue’ plaat ingebouwd in het werkvlak, dus het enige wat je ervan ziet zijn de grote branders. Ik vond de knoppen erop niet mooi, en heb ze daarom vervangen; maar de knaap die komt repareren zal in verwarring raken. Ik heb ze bij elkaar laten zetten. Mijn vrouw Catherine koos een Gaggenau-heteluchtoven. Die werd 20 jaar geleden ontworpen, maar is nog steeds een erg goed ontwerp.

D.L.: Houd u van snufjes, en zo ja, welke zijn dan uw favorieten? Of geeft u de voorkeur aan de handmatige manier van koken? Zo ja, wat is dan uw favoriete keukengereedschap?
J.P.: Catherine geeft de voorkeur aan elektrische apparaten zoals Magimix-keukenmachines, maar ik haat lawaai in de keuken, dus ik prefereer mechanische hulpmiddelen als handgardes. Ik heb een geweldige stamper en vijzel. Ik houd ook van Japanse messen. Ze lijken op Samuraizwaarden, en je hoeft ze niet vaak te slijpen.

D.L.: Hoe vindt u dat een keuken zinvol / slim moet zijn ingedeeld? Hoe is die van u ingedeeld
J.P.: Catherine blijft bij de magische driehoek, die je in de keuken zou moeten hebben (een hoek met een spoeltafel, koelkast en oven, alles dicht bij elkaar zodat je snel tussen deze drie heen en weer kunt bewegen). Maar we hebben met die regel gebroken. Onze koelkast is verstopt achter een muur tegenover – en op enige afstand van – de spoeltafel. Het is goed als een keuken functioneel is, en dat alles onder handbereik is. Maar ik denk dat het belangrijker is om een prachtige ruimte en een goede sfeer te hebben. De keuken is tegenwoordig het middelpunt van een huis: als familie eten we uitsluitend in de keuken ... dus als je er veel tijd in wilt doorbrengen, wil je ergens waar het een aangename plek is voor de mensen om samen te komen. Een redelijk grote tafel is erg praktisch. Je kunt met z’n allen aan een uiteinde zitten en een heleboel schalen en andere dingen aan het andere uiteinde neerzetten. Een tafel kan zoveel meer betekenen dan enkel maar een eettafel.

D.L.: Hoe groot zou de ideale keuken moeten zijn?
J.P.: Hij hoeft helemaal niet zo groot te zijn. De meeste mensen, inclusief wijzelf, hebben een veel te grote keuken. De belangrijkste zaken die je nodig hebt zijn een oven, een koelkast en een spoeltafel, maar die hoeven niet veel ruimte in te nemen. Als je een grotere keuken hebt, breid je uit om de ruimte op te vullen. Een werkvlak is net als dat van een timmerman werkbank of als een laboratoriumwerkplek.

D.L.: Besteedt u veel tijd aan koken: of geeft u er de voorkeur aan het allemaal langzaam aan te doen? Of is het iets snels en functioneels voor u?
J.P.: Ik besteed niet veel tijd aan koken, omdat ik te zeer verslaafd ben aan het construeren van gebouwen. Als ik kook, dan doe ik dat erg traag. Ik moet alles afmeten, ik moet recepten volgen, ik houd ervan pietje-precies te zijn. Catherine laat me niet in de buurt van de keuken komen, omdat ik altijd dure ingrediënten koop: zoals met de hand geplukte paddenstoelen van Harrods. Ik heb enkele grote vergissingen gemaakt: Ik maakte eens een spinaziesoufflé en vergat er bloem in te doen ... dus werd het oneetbaar.

D.L.: Beschouwt u koken en ontspannen als een ritueel, als iets therapeutisch?
J.P.: Ja. Het kan zaken omvatten als het plukken van bloemen in de tuin om op tafel te zetten, het dekken van de tafel, het neerleggen van mooie grote linnen servetten, of zelfs om een Japans bad te nemen voordat de gasten arriveren. Koken behelst ook het anticiperen op de mensen die op bezoek komen.

D.L.: Hoe ziet u de toekomst van het koken en het ontwerpen van keukens?
J.P.: Ik denk dat er niet veel zal veranderen vergeleken met de afgelopen 10.000 jaar. Mensen ontdekten toen dat ze iets nodig hadden om op te zitten en om dingen op neer te zetten. Zaken, die voorwaarden scheppen – ruimte, eten, water, ecologie, warmte – veranderen nooit. En een echt vuur is niet te overtreffen. En mensen zullen natuurlijke materialen nooit versmaden – hoewel ze willen dat ze goedkoop en krasvast zijn, wat een tegenstelling is als je het over iets organisch hebt. Maar ik houd ervan dat dingen glanzen. Gaan mensen minderen als ze zich realiseren hoeveel snufjes ze hebben? Ze besparen tijd, maar per slot heb je alleen stijl, verbeelding en goede ingrediënten nodig om een goede maaltijd op tafel te brengen.